“We borduren voort op de kwaliteiten van een kind”

Ambulant begeleider Natasja Bronzewijker over slechtziende leerlingen

Ze vallen in een klas vaak niet op, maar kunnen toch best wat extra ondersteuning gebruiken. Natasja Bronzewijker, ambulant begeleider vanuit Bartiméus, wijst leerkrachten erop alert te zijn op slechtziende leerlingen. “Ga maar na, als je gezichtsvermogen (visus) maar tien procent is, hoeveel tijd en energie het dan kost om opdrachten te maken.”

“De slechtziende leerlingen die begeleid worden door Bartiméus zien met bril op maar dertig procent of minder (we hanteren hierbij de criteria van de World Health Organisation, WHO) of hebben last van een gezichtsveldbeperking. Maar je kunt je voorstellen dat je een heel andere begeleiding moet bieden aan iemand die slechts vijf procent ziet dan aan iemand die dertig procent ziet. Dat maakt het werk heel afwisselend”, vertelt Natasja Bronzewijker, ambulant onderwijskundig begeleider bij Bartiméus. Ze begeleidt op school de leerkracht en de leerling en geeft specifieke ondersteuning bij het onderwijsleerproces ten aanzien van het omgaan met de visuele beperking van de leerling. Samen met de leerling en leerkracht draagt ze zorg voor een zo passend mogelijke leeromgeving. De leerling wordt vaak al vanaf de geboorte of vroege ontwikkeling van het kind begeleid door een ambulant begeleider in de thuissituatie. Er vindt nauwe afstemming plaats. “Als ouders op school aangeven vragen te hebben over de opvoeding wordt dit met elkaar afgestemd”, vertelt ze.

 

“In de loop der jaren is het aantal leerlingen dat ondersteuning krijgt vanuit Bartiméus stabiel gebleven. Wel neemt de groep met leerlingen die een cerebrale visus stoornis hebben een steeds groter deel van het totaal in. Dit loopt inmiddels op tot, schat ik, bijna dertig procent. Bij deze vorm van slechtziendheid verloopt de verwerking van prikkels, door een beschadiging in de hersenen, niet goed. Het is een puzzel om hen te begeleiden, omdat de aandoening momentafhankelijk is en ook een uitwerking kan hebben op bijvoorbeeld de motoriek.”

“Naast begeleiding van leerlingen binnen cluster één, begeleid ik ook leerlingen binnen cluster drie, die met hun cognitieve ontwikkeling achterlopen. We kijken dan welke rol de visus speelt bij de problemen.”

 

“Wanneer ik start met de begeleiding probeer ik het visueel functioneren in beeld te krijgen. Op zo’n moment werk ik wel met de leerlingen. Ik kijk bijvoorbeeld of een kind op zijn werk duikt en of het een vergroting of loep nodig heeft, bijvoorbeeld. Het blijft elke keer een puzzel: wat is prettig en wat is haalbaar? Wat heeft deze leerling, in deze klas, op deze school, met deze leerkracht nodig? We proberen samen een zo passend mogelijk aanbod te creëren dat gedragen wordt door het hele team.”

“We kijken naar de onderwijsbehoeften en of de leerling compensatiemogelijkheden heeft. Is een kind bijvoorbeeld sociaal of cognitief heel sterk? Heeft het een netwerk waar het zich aan op kan trekken? Vallen die compensatiemogelijkheden weg, dan is het best lastig. Je moet goed kijken waar een leerling het beste af is. Ons motto is dan ook: regulier waar het kan, speciaal waar het moet.”

 

“Met de komst van passend onderwijs zijn er zaken veranderd. Voorheen kreeg een leerling een indicatie voor de hele schoolcarrière, tot aan de universiteit. Nu kennen we aan de hand van de hulpvraag een arrangement toe. De expertiseopbouw start in groep een. Er zijn ijkmomenten waarin we meer, of opnieuw, in beeld zijn. Bijvoorbeeld als de leerstof in groep zeven nieuwe hulpvragen oproept.”

“De Commissie van Onderzoek, bestaande uit een oogheelkundige dienst, een orthopedagoog en een maatschappelijk werker, kent het arrangement toe naar aanleiding van oogheelkundige cijfers en de hulpvragen vanuit de school. Dit jaar bevinden we ons nog in een overgangssituatie. Na deze periode krijgen leerlingen een passend arrangement voor bepaalde tijd en in sommige gevallen zal het arrangement zelfs wegvallen. De arrangementen zijn licht, standaard, intensief en zeer intensief. Vanaf het standaard arrangement zijn er financiële middelen beschikbaar. Voorheen werden deze beschikbaar gesteld vanuit het ministerie, nu vanuit Bartiméus. Voor ons is dit dus een nieuwe taak.”

 

“Elke keer is het weer een leuke uitdaging om onderwijs op maat te geven en naar de kwaliteiten van een kind te kijken en daarop voort te borduren. Een ingang vinden, is zo gaaf! Je ziet dat veel leerkrachten koudwatervrees hebben, terwijl je ze met simpele aanpassingen vaak al een heel eind op weg kunt helpen. Krijg je hen mee, dan is dat zo leuk!”

“Onze rol is ook om waakzaamheid te betrachten, want hoe vaak horen we wel niet: ‘We merken niets aan de leerling’. Juist dan moet je alert zijn, want leerlingen met een visuele beperking trekken vaak niet de aandacht, kunnen in het regulier onderwijs verzuipen, omdat hun beperking niet gepaard gaat met een gedragsstoornis. Maar moet je eens nagaan als je visus maar tien procent is, hoeveel tijd en energie het dan kost om opdrachten te maken. De leerling weet vaak niet wat hij mist. Hij heeft in de meeste gevallen nooit beter gezien. Het is belangrijk dat slechtziende leerlingen inzicht krijgen in hun eigen beperking. Zo gaan ze ook begrijpen dat sommige dingen meer tijd en energie van hen vragen dan van hun goedziende vriendjes. Daarom is het des te belangrijker dat we klasgenoten inzicht geven in wat een slechtziend kind kan en wat de beperking sociaal emotioneel voor hen betekent.”

 

“Vaak is de begeleiding voor slechtzienden al vroeg op gang gekomen, daarom gebeurt het niet zo vaak dat we pas in beeld komen bij een Multidisciplinair Overleg (MDO’s). Dat gebeurt slechts een enkele keer. Wat we wel steeds vaker zien, is dat we voor een consult worden ingeroepen. Bijvoorbeeld als er een ondersteuningsvraag bij het samenwerkingsverband is binnengekomen over een leerling  waarbij vragen zijn over het visueel functioneren. Wij kunnen aan de hand van een observatie in de klas het visueel functioneren van de leerlingen in kaart brengen en hier praktische adviezen aan school meegeven. We hopen dan ook dat onze lijntjes met de samenwerkingsverbanden goed blijven, zodat ze een beroep op ons weten te doen als het gaat om vragen over slechtziende leerlingen.”

BARTIMÉUS

Bartiméus is er voor blinden en slechtzienden en heeft een grote onderwijsafdeling. Er is in Doorn een school waar meervoudige beperkten die slechtziend of blind zijn naartoe gaan. In Zeist en Lochem zit een school voor slechtzienden en voor blinde kinderen, speciaal onderwijs cluster 1. Op deze school wordt lesgegeven aan kinderen in het primair onderwijs en aan kinderen op het voortgezet onderwijs.

Bartiméus heeft ook een ambulant onderwijsbegeleidingsdienst, waar Natasja werkzaam voor is. Natasja licht toe: “75 procent van alle blinden en slechtzienden gaat naar het regulier onderwijs. Ik begeleid leerlingen in het regulier basisonderwijs en in het speciaal basisonderwijs. Ook kom ik soms op een andere clusterschool waar een slechtziend kind zit. Ik begeleid leerlingen in de regio van samenwerkingsverband Profi Pendi en van vele andere samenwerkingsverbanden.”

Ook voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en op het mbo, hbo en universiteit zijn ambulant begeleiders beschikbaar.

CV NATASJA BRONZEWIJKER

Natasja Bronzewijker studeerde HBO Pedagogiek en deed daarna de verkorte opleiding van de pabo. Ze koos ervoor deze studies in deze volgorde te doen, omdat het onderwijs haar aanspreekt, maar ze eerst een bredere basis wilde hebben.

Ze werkte op de Jules Verneschool, de Parkschool en op SBO Luc Stevens in Utrecht. Ze gaf met name les aan groep vijf en zeven. Omdat haar interesse altijd al lag bij kinderen met een speciale onderwijsbehoefte sprak de vacature voor ambulant begeleider bij Bartiméus haar enorm aan. Ze werkt hier nu zeven jaar.

Profi Pendi

Dukatenburg 101

3437 AB Nieuwegein

030 2751288

www.profipendi.nl

ontwerp: